Beschouwing op het landschap in en na deze Coronaperiode

Door:

Prof. dr. W.B.H.J. (Wim) van de Donk

commissaris van de Koning van de provincie Noord-Brabant

‘Verbindend denken, ondernemend denken, verbeeldend denken. Dat is waar het belang van het landschap ons nu om vraagt’. Rake woorden uit de beschouwing die Commissaris van de Koning Wim van de Donk gaf tijdens de waakvlam-bijeenkomst van de Landschapstriënnale 2021 op 31 augustus jl. Bekijk en lees hier de volledige beschouwing 

 ‘De gebondenheid aan een streek is niet te beschrijven. (…) mijn moederbinding met juist dit stukje aarde blijft voor de buitenstaander een absurd en ontoegankelijk gegeven, vooral voor iemand die zo’n binding met een stukje aarde niet kent. 

Nu schijnen er inderdaad mensen te zijn met zielen van plastic die in het geheel niet aan streek of landschap gebonden zijn. Ten opzichte van hen kan ik mijn binding met streek en streekgenoten niet eens ter sprake brengen. Ik kan hun dan ook niet het recht ontzeggen zich op grond van een grotere ongebondenheid als grotere geesten en meer geëmancipeerde mensen te beschouwen. Maar ook tegenover meer gelijkgezinde zielen is waakzaamheid geboden, want juist zij zullen elk spoortje van valsheid en overdrijving –want wat is niet betrekkelijk?– feilloos aanvoelen en bespotten (…). Er is een soort van streeklyriek geweest die zich hiervoor bijzonder goed leent, trillende litanieën op een dierbaar plekje grond. Het is moeilijk als een verdienste van welk plekje grond dan ook te beschouwen dat daar eens het wiegje van wie dan ook op stond. Het is ook veel minder de plaats van het wiegje dat ons aan de aarde bindt dan wel het landschap waartegen zich het ontwaken van onze verbeelding, ons individualisme en ons saamhorigheidsgevoel met medemensen en verleden afspeelt. Het afscheid is beslissender dan de komst. Wij gaan het eigen landschap pas proberen te bezitten om het moment dat we beseffen het te zullen verliezen.”

Hoe kan ik, zeker hier in Udenhout, waar hij een kleine eeuw geleden werd geboren, een beschouwing over de binding van de Brabander met zijn landschap, anders beginnen dan met een citaat van Cornelis Verhoeven. Het komt bovendien uit een boek met een titel die me thans enigszins weemoedig stemt: uit zijn nog immer magistrale ‘Afscheid van Brabant?’ 

Geachte aanwezigen, gasten, in het bijzonder ook uw initiatiefnemer en gastheer van deze bijeenkomst, de heer Yvo Kortmann, dank U zeer voor de gelegenheid bij dit voor onze provincie belangrijke initiatief enkele woorden te mogen zeggen. U brengt hier betrokkenen en geëngageerden rondom onze belangrijke ambitie Vincent van Gogh Nationaal Park en de Landschapstriënnale bijeen. En dat in een tijd waarin overwegingen van volksgezondheid dat slechts op een beperkte wijze mogelijk maken: geen vol vuur, maar een waakvlam. Ik ben er van overtuigd, dat juist het landschap een unieke uitnodiging vormt om in samenhang na te denken over wat ons te doen staat, wat voor de toekomst van onze provincie en in het bijzonder ook voor dit gebied, van belang is. 

Beste Yvo, we hadden het er al eerder over, over dat interview dat jouw vader destijds als scheidend commissaris gaf, met een foto geloof ik gezeten achter zijn bureau op de kamer die ik binnenkort verruil voor een kamer op de overigens ook landschappelijk prachtige campus van Tilburg University. 

Hij reflecteerde in dat interview op zijn periode als Commissaris van de Koningin en betreurde, omkijkend, hoezeer het Brabantse landschap was veranderd als gevolg van de een snel accelererende modernisering van samenleven, produceren, landbouwen. 

Ik herinner me zijn precieze woorden niet, maar die veranderingen werden door hem niet louter en niet overwegend als beslissende verbeteringen gewaardeerd. 

Nu is het, zeker in ons kleine land, niet verwonderlijk dat menselijk en ook bestuurlijk ingrijpen in ons landschap, doorgaans geïnspireerd door een brede catalogus van goede bedoelingen, soms letterlijk diepe sporen nalaat. Maar de wijze waarop dat gebeurde was blijkbaar te ingrijpend ten koste gegaan van de kwaliteit die ook die Kortmann als missie voelde. We weten het: wie met de tijdgeest huwt wordt doorgaans snel weduwnaar. En ook in onze tijd heersen meer dan we denken vormen van ook economisch aangedreven, door technocratisch instrumentalisme gevoede snelheidswaan en chronocentrisme. Soms worden wellicht al te haastige en niet immer breed doordachte interventies gepleegd in ons landschap, gevoed door een overigens zeer begrijpelijke angst over van wat er op ons afkomt. 

Dat Constant Kortmann daarover ook indertijd al stevige zorgen had, behoeft niet te verbazen. Stelling XVI bij zijn in 1941 bij professor Hoogveld verdedigde dissertatie luidde: ‘de bescherming van natuurmonumenten die vanuit een oogpunt van natuurschoon of natuurkennis van belang zijn, is een in Nederland urgente taak voor rijk, provincie, waterschap en gemeente.’ En ook in 1973 noemt hij natuurbescherming een ‘onbetwist belangrijk onderdeel van het algemeen provinciaal welzijn’. 

Dat algemeen welzijn, het bonum commune, was het eigenlijke onderwerp van zijn dissertatie. Kort samengevat in stelling V bij zijn dissertatie zei hij daarover het volgende: ‘In de metafysische orde is geen tegenstelling mogelijk tussen persoonlijk welzijn en algemeen welzijn’ (cursivering van mij, WD). Die twee verhouden zich volgens hem nog steeds als geheel en deel en kunnen elkaar daarom niet ontberen noch schaden. Aldus de afscheid nemende commissaris in zijn rede in de Staten van Noord-Brabant op 29 juni 1973.

Die had natuurlijk wezenlijk ervaren dat in de bestuurlijke en maatschappelijke orde harde tegenstellingen tussen individuele- en groepsbelangen en het algemeen belang zelfs de wezenlijk noodzakelijke keuzen in het belang van dat laatste wezenlijk in de weg kunnen zitten. En dan druk ik me nog zacht uit. 

Het bestek van mijn korte overweging hier vanochtend is het niet mogelijk om ten diepste te analyseren waarom dat ‘vermogen tot wij’ zo onder druk gekomen is, en mag ik me wellicht de opmerking veroorloven dat de menselijke soort (die zich ten onrechte losdenkt van de natuur) voor het eerst sinds tijden weer wordt geconfronteerd een indringende vorm van collectieve kwetsbaarheid. En wel zodanig, dat dat hopelijk aanleiding is om –ook- weer eens goed na te denken over de –inderdaad- valse en niet productieve tegenstelling tussen individu en gemeenschap. 

Het virus verstoorde ruw een trouwens al onrustige samenleving. ‘Niemand had kunnen voorspellen dat een nauwelijks 120 nanometer groot nucleïnezuur omhuld met wat eiwitten in minder dan een maand tijd erin zou slagen zo ongeveer de hele wereld tot stilstand te brengen,’ schrijft Paul Verhaeghe in een bijzonder indringend betoog over de coronacrisis, door Lévy omschreven als de Eerste Wereldangst.3

Maar zoals elke crisis is ook deze er een die uitnodigt tot een grondig nadenken over wat we als samenleving dachten te zijn en te kunnen blijven.Zelfs als het gaat om fundamentele kwesties, zoals ons begrip van vrijheid, een der grondslagen van onze maatschappelijke orde, raken we opnieuw, en soms heftig, aan de praat. 

Het was maar een klein maar betekenisvol zinnetje, vorige week zondagavond in Zomergasten. Een belangrijke les van corona. Ilja Leonard Pfeijffer meldt als meest wezenlijk les dat hij er ‘(…) misschien dat ik, beter laat dan nooit, ervan doordrongen ben dat vrijheid geen vrijheid is als die gebaseerd is op egoïsme; dat vrijheid alleen vrijheid kan zijn, als je, bij alles wat je doet, als eerste gedachte aan de ander denkt.’

Vandaag ontsteken wij een waakvlam in een onzekere tijd. Een wereld waarin de effecten van menselijk handelen op het klimaat merkbaar zijn en die tot verandering dwingen. Feiten en veranderingen die van grote invloed zijn op onze samenleving, die weerstand oproepen en die door groepen niet erkend en geaccepteerd worden. Want wetenschap en feiten, dat zijn in de maalstroom van twitter en facebook maar meningen. Daar ligt voor ons de uitdaging. 

Een waakvlam is een iel vlammetje. Een vlammetje verstopt in een machine om het opstarten snel mogelijk te maken. Maar naar zijn aard een vlam die zorg vereist om te verhinderen dat zij al te makkelijk uit dooft. Het vuur brandend houden, dat is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. 

Waakvlam, dat valt uiteen in waken en vlammen. 

Het waken over het Brabantse landschap en de Brabantse natuur. En vlammen, in de betekenis van ‘ervoor gaan’ en ‘inzet tonen’. Ook dat is nodig. 

Want Brabant verandert. 

In de woorden van Vincent aan Anton van Rappard in 1882 “Nu is dat gedeelte van Brabant waar ik bekend ben reeds enorm veranderd door ontginningen en door industrie… Er zijn sedert beetwortelsuikerfabrieken, sporen, heigrond ontginningen &c. gekomen die lang zoo pittoresk niet zijn. Enfin- maar wat wel in mij zal blijven is iets van de strenge poezij van de echte hei ….”6

Die verandering heeft alles te maken met de noden van een nog steeds groeiende bevolking, nu ruim 2,5 miljoen mensen en een economie die de ruimte vergt, een landbouwsector die worstelt met veranderingen. En dan de natuur en het landschap. Alleen al tijdens de nu uitgestelde Landschapstriënnale komt een indrukwekkende serie van belangen en opgaven voorbij, die in de zorg voor ons Landschap zullen concurreren om aandacht en inpassing. Het landschap vormt, inderdaad, een levend laboratorium voor vragen inzake de toekomst van onze land- en tuinbouw, vragen over de aantrekkelijkheid van het landschap als vestigingsfactor voor onze hoogwaardige technologische bedrijven, voor indringende vragen inzake biodiversiteit, waterbeheer, de vitaliteit van onze bodems, het ook economische beheer van onze natuurgebieden, de inpassing van nieuwe vormen van energieopwekking, aspecten van gezondheid en welbevinden, de zorg om ons erfgoed; en dan ben ik nog verre van volledig. Wij wonen in ons landschap, we moeten er zorg voor dragen, het beschermen en ontwikkelen. 

Ik merk daarbij overigens op dat dat er niet eenvoudiger op wordt, wanneer de vraagstukken inzake landschap, economie en natuur, bijvoorbeeld als gevolg van de stikstofproblematiek, steeds sterker het karakter van een allocatie- en verdeelvraagstuk krijgen. En dat in een samenleving waarin de tegenstellingen groeien, ook in de politieke arena. Dat wordt voorwaar in ingewikkelde opgave. Daar zou de politiek bij uitstek goed in moeten zijn, maar de vraag is of de voorwaarden daarvoor nog voldoende aanwezig zijn. 

Waarover Kortmann, en eerder Van Gogh en velen nu met hem ook nu zich zorgen maken is wat ik zou willen noemen de esthetiek van het landschap. Datgene wat men kent, waardeert en mooi vindt, waar men zich thuis voelt. Kanttekening is wel dat die beetwortelsuikerfabrieken van Vincent nu tot het industrieel erfgoed behoren. 

Ik noem in dat verband de actuele discussie over windmolens en zonnepanelen. Onze opa’s en oma’s leefden in steden met schoorstenen, zij brachten zo als generatie een offer. Er staan er nu nog maar enkele. Dat zal hoop ik met die windmolens zo snel als dat kan ook zo zijn: dat het een offer is, tijdelijkheid. Tijdelijkheid en dynamiek: het zijn wellicht woorden die helpen bij het begrijpen dat er soms lastige keuzes moeten worden gemaakt als het gaat om de inrichting van ons landschap. 

Waardering verandert in de tijd. Maar het is een gerechtvaardigde zorg. 

Want wie zijn eigen omgeving niet meer herkent, verliest zijn wortels. Dat leidt tot ontworteling, tot vormen van onthechting in onze samenleving. Gerard van Maasakkers zingt niet voor niets “hier heur ik thuis”. Dat alleen al is een reden te meer om je in te zetten voor de Landschapstriënnale, het Vincent Nationaal Park en het Brabantse Landschap. Dat zal vragen om radicale keuzen, in de zin van: keuzen die ten diepste voortkomen uit onze verworteling in het landschap dat ons voedt, vormt, verbindt en draagt. 

Natuurbescherming is daarbij niet het enige, maar wel een wezenlijk belang. Soms ziet dat grote belang in kleine dingen. In het het oranje-blauw zwemmend geraamte van een obscuur pekelkreeftje, bijvoorbeeld, waarvan recent in het Groene Woud, wezenlijk voor het Vincent van Gogh Nationaal Park, een populatie herondekt is. Een soort die oeroud is en net daar de goede leefomgeving vindt om droge en natte tijden te overleven. 

Biodiversiteit, met andere woorden. James Lovelock, recent 101 jaar oud geworden, poneert een theorie die indruk maakt. De aarde beschouwt hij als een organisme dat op veranderingen reageert en steeds een evenwicht zoekt. Verandering van klimaat, aantasting het milieu en daarmee de biodiversiteit leiden kort gezegd, tot verstoringen en een nieuw evenwicht. Een disruptief proces. Een theorie die niet onomstreden is. 

Feit is wel dat aantasting van de biodiversiteit en klimaat hun invloed hebben. Denk aan de problemen met de wilde bijenpopulatie (nee niet de honingbij, daarmee gaat het goed) en de eikenprocessierups. En aan de andere kant is er de eigenwijze bever die in tijden van droogte zonder vergunning van het waterschap en in weerwil van het provinciaal beverprotocol een dam in de Astense Aa bouwt en de verdroging keert. Biodiversiteit, we zijn er van afhankelijk en het hangt samen met de kwaliteit van natuur en landschap. 

We weten dat de scheiding van natuur en landschap een kunstmatige is. De natuur, hier in de zin van biodiversiteit, is een gevolg van menselijk handelen. Ongerepte natuur is er niet in ons land. De hei van Vincent is een gevolg van overbegrazing in vroeger tijden. Ook de leembossen in het Groene Woud waar het oranje-blauw zwemmend geraamte de eeuwen trotseert, zijn een resultaat van menselijk handelen. 

Het raamwerk van hagen en heggen bij Boxmeer, al genoemd door Julius Caesar, zijn door mensen aangelegd. Wie de natuur minacht en afschrijft wist dus ook cultureel erfgoed uit. 

 

Waar wij bovendien op moeten letten is dat de enkele bescherming van natuurgebieden niet gelijk staat met de kwaliteit van milieu, natuur, biodiversiteit en het landschap in groter verband. Het land is een productiefactor voor de landbouw en wordt dus –met een overigens wel grote nadruk op de korte termijnbelangen- bedrijfseconomisch optimaal benut, woningbouw en bedrijventerreinen hebben een economische waarde. 

Aan milieu, natuur en landschap is niet eenvoudig een economische waarde toe te kennen. En waar dat wel in een verdienmodel gedwongen wordt, bijvoorbeeld door het heffen van toegangsgelden, verzetten mensen zich. Want waarom zou je betalen voor wat van ons is, het landschap. Het landschap, dat bij uitstek ons gemeenschappelijk belang vertegenwoordigt. De bodem bijvoorbeeld, die voor een goede toekomst zo wezenlijk is, is de afgelopen decennia geslachtofferd door korte termijn denken, en onvoldoende geankerd in een werkelijk op het algemeen welzijn gerichte economische ontwikkeling. Daarin zullen we moeten veranderen, en wezenlijk ook. 

Dat zal lastige keuzen gaan vragen. De mensen worden steeds vaker stedelingen. Er zijn steden waar het groen, de bomen, de parken, schaars zijn. Dat is een antithese van wat Brabant is, waar Brabant voor staat. Brabant, dat zijn dorpen en steden in het groen, dooraderd door het groen en het blauw van het water. Een frisse visie op gezondheid vraagt ook hier om nieuwe keuzen, ben ook benieuwd naar wat de coronacrisis hier leert over het omgaan met nieuwe kwetsbaarheden. 

Het is het land waar het leven goed is, goed moet blijven. Het nationaal park Vincent van Gogh, de landschapstriënnale, het zijn pogingen om te zoeken naar nieuwe wegen, de ogen te openen waar het gaat om een nieuwe manier van kijken. Daarom is die waakvlam, het waken en het vlammen, het brandend houden van het vuur van de bezieling nodig 

En ja. Dat veranderende Brabant zal een steeds meer met onze Europese en mondiale omgeving ‘verbonden’ Brabant zijn, en zal ook in onze tijd veel van ons aanpassingsvermogen vragen. 

 

Daarbij hoeven we echt niet bevreesd te zijn, het eigene van Brabant te verliezen. De aan het begin geciteerde Cornelis Verhoeven zag dat al. 

Het ‘gevoel ingebed te zijn in het leven van een streek’ (…), is niet ‘(…) belachelijk of geborneerd.’ Natuurlijk zag ook hij al dat de wereld ons werkterrein is geworden, maar, zo schreef hij ‘(…) het lijkt me een twijfelachtig bewijs van geestelijke ruimheid, vitaliteit of welke mooie eigenschap dan ook, over alle kleine cirkels maar meteen heen te springen en zonder meer de wereld tot zijn woonplaats en nest uit te roepen. Ik stel meer vertrouwen in de mondialiteit van iemand die althans aan een stuk grond echt gebonden is dan van hem die niet eens weet wat een nest is of kan zijn. Het is niet nodig de kleine cirkels op te heffen om in de grotere te leven. De ruimheid van een denken wordt niet gemeten aan het punt waarop het begint, maar daar waar het ophoudt.’

Geachte aanwezigen, 

Ook deze crisis is er een die uitnodigt fundamenteel na te denken. Het virus, hoe klein ook, roept ons op om ruim te denken. En ook om te denken vanuit een mensvisie die wezenlijk onze verbondenheid met elkaar en die met onze natuur en ons landschap als onwankelbaar uitgangspunt erkent. 

Maar dat ruime denken is niet alleen een kwestie van scale, maar ook van scope. Verbindend denken, ondernemend denken, samenhangend denken, verbeeldend denken: dat is waar het belang van het landschap om vraagt. Dat is waar de klimaatverandering om vraagt: de opgaven alleen al inzake water noodzaken om vormen van samenwerking die wezenlijk gestoeld wordt op het primaat van ons algemeen welzijn. Zie alle opgaven die in het kader van de triënnale in het landschap als levend laboratorium worden ingebracht. 

Dat vraagt om een rustige waakvlam, maar hier en daar ook om hoger vuur. 

Dat vraagt om nieuwe vormen van beraad en besluitvorming, die ook vragen om vernieuwing van onze democratische instituties en repertoires. Ook die staan onder druk door vormen van politieke klimaatverandering. Maar ook daarin liggen vele aanleidingen om eens goed opnieuw na te denken, opnieuw vorm te geven. 

Ook het politieke landschap vraagt om een open oriëntatie en frisse ideeën die er in slagen mensen met allerlei belangen en zorgen (opnieuw) bijeen te brengen vanuit een zorg van voor ons algemeen belang. Ook hier zeg ik weer: het landschap is een 

uitgelezen kader om een nieuwe oefengrond voor democratische vernieuwing te vormen, en het is hard nodig daarin te investeren. 

Iedereen die dacht dat er geen ruimte of aanleiding is om ons democratisch bestel te vernieuwen moet het nieuwe boek van Pierre Rosanvallon maar eens lezen: de eeuw die voor ons ligt is ook daar een eeuw van wezenlijke en belangrijke, noodzakelijke opgaven en veranderingen. Ook daarvoor zullen dit Brabantse landschap en de aanstaande triënnale graag een oefengrond zijn. Want onze zorgen voor onze mooie natuur en ons bijzondere landschap zullen op niets uitlopen wanneer daarvoor de grondslagen en voorwaarden in het maatschappelijke en politieke landschap niet aanwezig zijn. Dat vraagt om nieuwe verbindingen en verbeeldingskracht ook daar, en om nieuwe grondslagen. 8 Want net als voor het landschap geldt voor onze toekomst: die is voor ons allemaal. Dat is, bij alle onzekerheden en moeilijkheden, een fundamentele zekerheid die we niet los mogen laten. 

1 In: Cornelis Verhoeven (1968), Afscheid van Brabant? Utrecht: Uitgeverij Ambo, p. 3. Ik begon er een aantal jaren geleden mijn bijdrage aan Het Nieuwste Brabant mee.  

2 Handelingen Provinciale Staten van Noord-Brabant, donderdag 23 juni 1973, p. 17.  

3 Paul Verhaeghe (2020). Houd afstand, raak me aan. De Bezige Bij, Amsterdam, 2020, p. 15. En: Bernard-Henri Lévy (2020), Ce virus qui rend fou. Paris, Grasset. 

4 Zie voor wat uitvoeriger: Wim van de Donk (2020), Muterende problemen vergen creatief besturen, in: Alexander Rinnooij Kan (redactie), Na de Quanrantaine. Amsterdam: Balans, pp.43-62. 

5 Ilja Leonard Pfeijffer in Zomergasten, zondagavond 23 augustus 2020. 

6 Zie www.vangoghletters.org  

7 Verhoeven, Op. Cit. p. 3.  

8 Zie voor belangwekkende aanzetten voorbij een al te gemakkelijke en vlotte kenschets van het huidige politieke klimaat Pierre Rosanvallon (2020). Le siècle du populisme. Histoire, théorie, critique. Paris: Seuil.  

  • Twitter
  • Facebook
  • Instagram
  • Vimeo Social Icon